"Kom, laten we dansen tot de sterren uit de nacht vallen
en de maan haar zilveren licht in ons hart brandt."


Selienna

God zat rustig in de paradijstuin wat te mijmeren omdat Zijn troon nodig opgeblonken moest worden.
Zoals altijd kreeg Hij een schitterend idee. Hij had zin om nog een zieltje te scheppen, een perfect en uniek exemplaartje zoals alle andere zieltjes trouwens. En ook dit zieltje wou Hij iets heel bijzonders meegeven, een verborgen gave, een geheime kracht, een hemels talent.
In iedere ziel huist namelijk een uniek aspect van God.

God sloot de ogen, glimlachte en in Zijn hart werd het zieltje geboren. Het verbleef er een hele lange tijd heel dicht bij de warmte en de onvoorwaardelijke liefde van God zelf. In feite wou het zieltje daar helemaal niet weg maar God vertelde zo meeslepend over de schoonheid en de oneindigheid van de wereld dat het zieltje toch een beetje nieuwsgierig werd. Het verlangde om alles wat God geschapen had te ervaren.

God sloot de ogen, glimlachte opnieuw en uit Zijn hart kwam een heldere, zuivere lichtstraal waarin het zieltje zich bevond.
Zo kwam het in de hemel waar reeds myriaden andere zielen, engelen en geesten leefden en elk wezen was verbonden met het hart van God door precies zo’n lichtstraal als bij het zieltje.

Het zieltje kreeg nu ook voor het eerst een naam van vader God en een persoonlijke engel als hulp, beschermer en begeleider. De naam die God had bedacht voor het zieltje is in onze mensentaal niet uit te spreken en is eigenlijk ook een beetje geheim. Want als iemand je werkelijke naam weet, kent hij ook je ware Zelf. Daarom kreeg ieder zieltje ook een tweede hemelse naam die gekozen werd door de beschermengel samen met de raad van wonderwijze wezens. Omdat dit zieltje een echte vrolijke spring in het veld was, koos men een passende naam:
Arwen Morgenster wat betekent ‘Ochtendlicht dat Danst in Vreugde’

De hemel was grenzeloos groot en overweldigend wonderlijk. Ieder hemelwezen creëerde met de kracht van gedachte en gevoel zijn eigen ruimte, zijn eigen wereld die precies de weerspiegeling en uitdrukking was van zichzelf. Zo was er een universum van mooie en bijzondere plekjes en werelden ontstaan. Er waren gouden paleizen in azuurblauwe tuinen, bloemenkastelen op wolkenzeeën, rotswouden vol oranje vlinders, oceanen vol bloemen,… Zoveel wezens, vormen, kleuren, planten, dieren, kristallen, gewoon teveel om op te noemen.
Alles wat bedacht kan worden was er.

Arwen had al snel heel veel vriendjes en er werd voortdurend gelachen, gespeeld, gedeeld en de meest bijzondere creaties bedacht.

Maar Arwen was ook graag bij God en vroeg dan honderduit alle vragen die zomaar opkwamen.
God vertelde dan over het leven, over de ontelbare werelden in het universum en over hun bewoners en natuurlijk over de allesomvattende liefde en de vele mogelijkheden om zelf te creëren en de schepping tot in alle uithoekjes te verkennen.
Door de wondere verhalen van God kreeg Arwen echt zin om dit allemaal te ervaren en te beleven. Arwen besloot dan ook de hemel te verlaten en zelfs voor even te vergeten en de reis doorheen de vele werelden en dimensies te beginnen.

Het afscheid was toch even moeilijk want de reis voerde naar onbekende gebieden ver weg van thuis en zou wel eens heel lang kunnen duren. Maar God verzekerde dat de lichtstraal tussen Hem en Arwen nooit verbroken zou worden en dat Hij er altijd zou zijn om te helpen.
En natuurlijk was er ook de bewaarengel die Arwen voortdurend beschermde en op tijd de juiste weg wees.
Overal zou Arwen veilig zijn, er kon niets verkeerd lopen en de terugkeer naar de hemel was verzekerd.

Arwen gaf God een innige knuffel en vroeg nog wat laatste goede raad.
God sloot de ogen, glimlachte en sprak met liefdevolle stem:

Weet in je hart dat Ik altijd bij je ben,
dat we allen eeuwig één zijn
ongeboren en onsterfelijk leven

Dat Wat Is

Wees Jezelf en wees ook Mijn Lichaam
Want jij brengt Mijn Licht in de wereld
Jij helpt het Universum te scheppen
Door jouw dans en Mijn dans samen

Speel als kinderen
Speel in vreugde samen
Speel alsof er niets anders te doen is

Droom je droom in Mijn droom
Tot je ontwaakt in Mijn hart

Leef je leven in Mijn leven
Tot je terug herinnert dat we één zijn
want
Alles is
Alles is nu
En liefde is alles

Ergens leeft een wondermooi prinsesje dat er op eerste zicht uitziet als een gewoon meisje. Ze woont ook niet in een prachtig paleis maar in een gewoon huisje en rijk is ze ook al niet want iedere dag werkt ze voor de kost. Toch is ze een echte prinses, dat zie je gewoon als je in haar oogverblindende ogen kijkt en haar vriendelijke stem hoort. Haar naam is Selienna en de wind waait graag door haar lange ravenzwarte haren.

Ze houdt erg veel van dansen en probeert dit zo vaak mogelijk te doen. Dan vergeet ze alles, er komt rust in haar ziel en ze voelt zich één met het leven. Vaak is ze dankbaar en tevreden om prinses te zijn maar toch knaagt er nog onrust in haar ziel. Op een vreemde manier voelt ze een tekort, een gemis, een verlangen ook. Het lijkt alsof ze zich nergens thuis voelt. Ze vindt moeilijk innerlijke rust en is altijd op zoek naar antwoorden op vragen waar de meeste mensen nog nimmer aan gedacht hebben.

Ze kan haar hunkering niet precies duiden maar heeft wel eens ergens gelezen dat prinsessen altijd op zoek zijn naar de ware prins. Dat begrijpt ze niet goed, want vele prinsen zijn helemaal niet wijs of interessant, maar eerder oppervlakkig en saai en altijd over zichzelf aan het praten. Dat vindt ze maar niks.

Ze beslist raad te vragen aan de fabelfee. Die woont in een knus en kleurig duinenhuisje aan zee waar ze hartelijk wordt ontvangen. De fee snapt direct wat er aan de hand is maar ze besluit om Selienna haar antwoorden zelf te laten vinden.
Met zachte stem verhaalt ze over een echte, ware prins die zich lang geleden diep verscholen heeft in de Nevelwouden van Donkerwold, een onheilspellende plek waar weinig mensen en dieren zich durven te wagen. Niemand weet trouwens of de prins nog leeft.

De fee waarschuwt voor vele gevaren maar Selienna is een moedig meisje met heel veel zin in avontuur, en ze popelt om onverwijld op zoektocht te vertrekken. De fee lacht om het jeugdig enthousiasme, stapt haar heilige ruimte in en brengt Selienna drie bijzondere geschenken: een zilveren zwaard waarin de naam Goelof gegraveerd staat, een opalen parel en een koningsblauw kistje waarop in sierlijke letters NIKS EN. Selienna belooft de magische geschenken terug te brengen, bedankt de goede fee met een warme knuffel en vertrekt voor een lange, spannende tocht.

Het Donkerwold ligt aan de rand van de bewoonde wereld en strekt zich mijlenver uit helemaal tot aan de kille ijsbergen in het hoge noorden. Selienna leent van goede vrienden een volgzame hengst met de naam Wotur en rijdt in zeven dagen naar de rand van het woud.
Op een groene weide even naast de weg staat het laatste huis waar een eenzame houthakker woont. Die knippert verbaasd de ogen als een jonge vrouw zich hier durft te wagen en valt helemaal van zijn bank als hij hoort wat haar plannen zijn. Met veel bombarie waarschuwt hij voor de vele bospaadjes waardoor je makkelijk verdwaalt, wilde en woeste dieren allerhande, onzichtbare moerassen, kwaadwillige woudwezens en natuurlijk de verschrikkelijke vuurdraak.
Selienna is niet onder de indruk maar bedankt de man voor zijn bezorgdheid en na een korte rustpauze galoppeert ze het bos in. Al dadelijk komt ze bij een kruispunt waar zes wegen uit vertrekken. Ze twijfelt en besluit om iedere weg even kort in te rijden om te kunnen voelen. Bij de vijfde weg begint de parel rond haar nek kleurig licht uit te stralen en toont haar zo de juiste weg.
Dieper en dieper slingert de weg het kille en duistere bos in. Akelige geluiden en vreemde ritselingen in het struikgewas verstoren nu en dan de drukkende stilte. Bij iedere splitsing gloeit de parel even op en wijst zo de juiste richting aan. Na een urenlange tocht loopt het pad plots dood op een uitgestrekt waterig veld bezaaid met heide en struiken. Tussen zwarte vlekken dor gras glinstert in de verte hier en daar zilveren licht waar de zon weerkaatst op stilstaand water. Duidelijk een moerassig veengebied.

Een groep blauwzwarte kraaien vliegt verschrikt op als Wotur onrustig hinnikt. Selienna streelt zijn hals en spreekt lieve woordjes in zijn oor. Het paard wordt wat kalmer maar steigert opnieuw als uit het schaduwrijke struikgewas plots een grote ridder in vol ornaat en grijs harnas tevoorschijn stapt. Zijn gezicht zit verborgen in een rijk versierde helm waarop drie gekleurde pluimen steken. Een krachtige bijna gebiedende stem verstoort de gespannen stilte:
‘Het moeras is ontoegankelijk en gevaarlijk, ik wijs je een weg die er omheen loopt,…volg mij’ bromt de ridder.
Selienna aarzelt even maar blijft intuïtief staan:
‘Dank voor je aanbod maar ik volg liever mijn eigen pad’ antwoordt ze dan.
De ridder nadert enkele stappen en zijn stem klinkt nu bezorgder:
‘Niemand overleeft een tocht door het Schaduwmoeras en op het eind wachten de duistere Angstgrotten waar draak Stang je gewoon zal verscheuren.’
‘Maakt mij niet uit’ lacht Selienna, ‘ik ben niet bang en ik wil af en toe wel wat avontuur in mijn leven.’
De ridder stapt nu tot op drie passen van het paard en smeekt bijna:
‘Ik wil je graag helpen, vertrouw me, blijf een nacht in mijn kasteel om op krachten te komen en dan kun je nog kiezen welke weg je wilt nemen.’
‘Ik ken niet eens je gezicht noch je naam en je vraagt mijn vertrouwen’ stelt ze gevat vast.

De ridder blijft roerloos en zwijgend staan en na wat een eeuwigheid lijkt, doet hij zijn ijzeren handschoenen uit en heft langzaam de helm van zijn hoofd.
De aanblik is afschuwelijk. Handen en gezicht zijn zwaar gehavend met oude littekens, etterende zweren en verse wonden. Twee vingers aan de linkerhand ontbreken en waar een neus zou moeten zitten steekt het ruwe bot naar buiten. Enkel zijn ogen lijken intact en bovendien wondermooi.
Selienna kreunt innerlijk uit een mengeling van afgrijzen en medeleven en stamelt een verontschuldiging.
‘Mijn naam is Poernas’ zegt de ridder met een krakende stem ‘ik wil je graag beschermen en tot hulp zijn’.
Selienna stapt van het paard en kijkt Poernas in de ogen. Ergens voelt ze herkenning, alsof ze in een spiegel kijkt en een verborgen verleden ontmoet. Er doemen beelden op in haar ziel van pijnlijke en moeilijke momenten in haar leven waar ze het contact met haar wezenskern verloren had.

’Luister’ begint ze zacht ‘ik bedank je echt voor je hulp maar dit moet ik alleen doen, ik wil vertrouwen op mezelf en...’ Haar stem stokt als ze de ogen van Poernas ziet verkillen en gemene stralen van woede afvuren.
Voor ze er erg in heeft, trekt Poernas zijn zwaard en zwaait gevaarlijk in haar richting. Selienna ontwijkt snel en behendig de gemene slag, loopt naar Wotur en grist vliegensvlug haar eigen zwaard. Poernas is gevolgd met het wapen in beide handen boven zijn hoofd klaar om toe te slaan. Maar Selienna draait zich een kwartslag om en vangt de dodelijke uithaal op met het zwaard.
Een brute en ongelijke strijd ontspint zich aan de rand van het moeras. Ridder Poernas is een bedreven vechtmachine en beukt met harde slagen op prinses Selienna in. Maar haar zilveren zwaard Goelof is licht en scherp en altijd op de juiste plaats om de slagen af te weren. Het lijkt of het zwaard weet waar de volgende slag of stoot zal toekomen.
Poernas wordt steeds woedender door de vernedering en wil er snel een eind aan maken. Hij hakt tientallen malen met brute kracht op het zilveren zwaard en Selienna wankelt, valt en lost daarbij haar zwaard.
Languit, bezweet en zwaar ademend ligt ze op de grond en ziet hoe Poernas dichterbij komt en zijn kracht verzamelt om de genadestoot door haar hart te drijven.
Met een laatste inspanning roept ze Goelof die gezwind in haar hand springt en ze werpt het zwaard met volle overtuiging naar Poernas. Hij kan het niet ontwijken en het treft hem in volle borst als een scheermes door zachte boter. Het leven in zijn ogen breekt en als een blok graniet valt hij dreunend achterover tegen de vlakte.
Selienna kruipt dichterbij en trekt het zwaard uit zijn borst. Poernas siddert even maar zijn blik is vredig en met zijn laatste kracht kreunt hij: ‘eindelijk verlost’.
Daarna geeft hij zijn geest terug de vrijheid.

Selienna blijft nog even zitten, vermoeid van het gevecht en verwonderd over de gebeurtenissen, maar ze voelt dat met de dood van Poernas een stuk onwaarheid in haarzelf is gestorven. Het lijkt of haar ziel nu lichter en vrijer is.

Ze staat op, loopt naar Wotur en ziet dat in de moerasvlakte nu drie paden zichtbaar zijn geworden. Met een sierlijke zwaai slingert ze zich op het paard en verkent ze even de verschillende wegen. De parel wijst haar het middelste pad.

Nog even kijkt ze achterom maar het lichaam van Poernas is verdwenen.
Was er een echt gevecht of was het misschien allemaal maar een droom, vraagt ze zich af.

In gedachten verzonken volgt ze het kronkelende pad door het moeras. Voortdurend wordt ze belaagd door venijnige insecten en overal hangt een verdorven geur van rottende kadavers.
Aan de rechterkant van het pad ligt een zompige slijkmassa waaruit regelmatig gasbellen opborrelen en met een doffe klap openspatten. Enkele spetters raken de huid van Selienna en branden als haardvuur glinsters.
Links is de vlakte bezaaid met honderden roestbruine en vaalgele doornstruiken die verbonden zijn door een wirwar van grijsblauwe en zilverzwarte spinnenwebben. De spinnen zien er groot en gemeen uit en het lijkt of ze allemaal naar Selienna staren. Ze staart stevig terug en steekt haar tong uit.
Met haar hielen maant ze Wotur tot snelheid aan om deze akelige plek spoedig te kunnen verlaten.
Na wat een eeuwigheid lijkt, tekenen zich in de mistige verte ruwe rotsmassa’s af. Overal waar ze kijkt, liggen heuvels bezaaid met grote grillige stenen. Voorzichtig draven paard en ruiter verder onderwijl de horizon afspiedend naar verborgen gevaar.
Eindelijk eindigt het moeraspad en komen ze uit op een flauw stijgende weg die tussen de rotsen door loopt. De stank van het moeras maakt nu plaats voor een lichte zwavelgeur.
Steeds hoger reiken de rotsen en overal zijn grote spelonken en gapende, zwarte grotten. In de verte galmt het gehuil van een roedel hongerige wolven en boven hun hoofden cirkelen al geruime tijd vier aasgieren.
De sfeer is geladen en vol gespannen verwachting.
De weg kronkelt naar boven, steeds hoger op steeds ruwer terrein.
Door de ijzige koude ademen ze kleine, witte wolkjes uit.

Selienna draait de laatste bocht naar de top van de bergkam in en staat plots oog in oog met de draak. Als een onverwoestbare wachter staat hij midden op de weg, ruim twaalf meter hoog maar onbeweeglijk, de vleugels schuin de hoogte in en zijn blik strak op Selienna gericht. De klauwen zijn messcherp, uit de neusvleugels kringelt vaalgele rook en de puntige steekstaart zwiept heen en weer boven zijn drakenkop.
Wotur trappelt nerveus en maakt aanstalten om weg te rennen. Selienna spreekt hem sussend toe en dadelijk wordt hij rustiger.

‘Dag draak Stang’ zegt Selienna vriendelijk.
‘Dag prinses Selienna’ antwoordt de draak en zijn stem klinkt wijs en sterk.
‘Weinig mensen raken tot hier en nog minder durven een gesprek beginnen en van die weinigen ben jij de eerste die mij als een vriend begroet.’
‘Hoe weet jij mijn naam en waarom noem je mij een prinses ?’ wil Selienna weten.
‘Ik lees je naam in je hart en zoals je wellicht weet zijn alle meisjes prinsessen. Belangrijker is of ze ooit koningin zullen worden’
‘Wat lees je nog meer in mijn hart, wijze draak’ vraagt Selienna nieuwsgierig, ‘wordt ik ooit koningin ?’
‘Ik herken je uniek zijn en de taak die daarbij hoort. Zoals iedereen ben je een uniek wezen, met een unieke passie en gave en je bent hier op Aarde omdat niemand anders jouw taak kan uitvoeren. Snap je dit? Er is maar één persoon die kan doen wat jij hier komt doen. En dat ben je zelf natuurlijk.
Een koningin weet dat, die kent haar passie en deelt haar talent, die ontdekt haar gave en brengt ze in de wereld. Een koningin reikt naar de sterren, manifesteert vreugdevol haar droom, zingt onvoorwaardelijk haar eigen lied, leeft alsof iedere minuut haar laatste minuut is, bewust en intens.’

‘Ja, zo wil ik leven’ weet Selienna ‘maar wat is mijn gave, welk geheim woont in mij, waarom ben ik hier op deze Aarde en waarom nu in deze tijd. Soms lijkt het allemaal een droom, soms lijkt het of er een sluier mijn ogen bedekt en ik niks helder kan zien.’
‘Geduld, daar kom je wel achter’ lacht Stang met zijn vurige stem ‘kijk in jezelf, wandel de stilte van je hart binnen en luister gewoon. Volg altijd je gevoel, eenvoudiger kan niet en hoeft niet, want leven is eenvoud.’
‘Draken verscheuren jonge maagden en eten ze op, branden dorpen plat en zaaien angst en terreur. Althans dat wordt overal verteld. Waarom ben jij lief en help je mij met je wijze raad?’ bedenkt Selienna plots.
‘Mensen zien de werkelijkheid niet, maar zien overal de reflectie van wat in henzelf leeft, weerspiegeld in de buitenwereld. Velen zien angst, hebzucht, jaloezie, valsheid, oneerlijkheid, woede, wellust, hoogmoed, …buiten in de wereld rond zich omdat die gevoelens ook in hen leven en omdat ze kiezen om zich daarop te richten. Je herkent maar wat buiten jou is omdat het resoneert met iets wat reeds in jezelf is.
Jij bent een zuiver kind, Selienna, daarom zie jij niet de leugens, maar overal schoonheid, perfectie en vrede.’

‘Je vleit me met je woorden, draak, maar zo zuiver en puur ben ik niet. Er leven nog heel wat angsten in mij en als ik in de spiegel kijk, walg ik soms van mezelf.’ bekent Selienna.
‘Je bent op goede weg. Je herkent alle delen van je wezen, ook de minder leuke, en je aanvaardt ze in zachtheid en liefde. Geloof me, Selienna, dat is een reuzenstap waar veel mensen nog niet aan toe zijn.’
‘Ok, fijn, ik zit op de goede weg, laat je me dan door om mijn zoektocht verder te zetten’
‘Niet zo snel’ grapt Stang, ‘ik blijf wel een echte draak hoor, dus er is een prijs te betalen en een raadsel op te lossen. Het raadsel is een spreuk die aangeeft dat je mij overwonnen hebt, de prijs is een bewijs van je moed en inzicht’

Selienna denkt even na tot haar aandacht getrokken wordt door een zacht geluid dat uit het blauwe kistje van de fee komt. Ze maakt het langzaam open en er weerklinkt een lieflijke melodie die de koude wind tussen de bergen even doet vergeten. Op de bodem van het kistje ligt een perkamenten papier waarop in paars handschrift een spreuk geschreven staat. Luidop leest ze voor:

Waar licht is, kan geen duisternis zijn
Waar waarheid regeert, kan geen onwetendheid overblijven
Waar vertrouwen leeft, kan geen twijfel groeien
Waar liefde heerst, kan geen angst bestaan

Terwijl ze de spreuk leest, beseft ze plots ook welke prijs er te betalen is.
Ze stapt van Wotur af en wandelt rustig naar de draak toe, tussen de enorme poten door, nog verder, tot ze dicht bij zijn enorme borst komt.
Onbeschermd en tenger staat ze onder de machtige draak.
Eén kleine beweging van Stang, één hete ademstoot van vuur uit zijn bek, één korte stoot van zijn klauw en Selienna is dood.
Ze heft haar hoofd op, slaat de armen rond de ijzersterke schubbenhuid en geeft een zoen op het hart van Stang terwijl ze hem stevig omhelst.
Ze voelt hoe de draak inwendig lacht en zich dan met enkele krachtige vleugelslagen verheft boven het bergpad. Hoog in de lucht cirkelt hij driemaal rond Selienna en blaast als afscheid een enorme vuurzee uit zijn bek.
Een vreugdevuur lijkt het wel, om een verdiende overwinning te vieren.

De weg is nu vrij. Selienna bestijgt Wotur en rijdt verder de berg op. Ze voelt zich ongelofelijk licht en onbezorgd. Alsof de draak al het onwezenlijke, alle onwaarheid, alle angst in haarzelf verbrand heeft met zijn vuurkracht.

Opgewekt zingend bereikt ze de top en steekt op haar trouwe paard de bergkam over. Het uitzicht aan de andere kant is adembenemend in alle richtingen. Een panorama van kleuren, vormen, vlakken. Een samenspel van aarde, lucht, water en het vuur van de zon. De natuur op haar best, ongerept en perfect.
Wat is dit toch een wondermooie planeet, bedenkt Selienna.

Beneden ligt een prachtige diepgroene vallei dooradert met azuurblauwe rivieren en bezaaid met grasvelden vol wilde bloemen. Links tekent een schitterende regenboog een brede, halve cirkel in de lichtbewolkte hemel. Rechts beneden ligt een gouden meer waar duizenden, kleurige vogels fladderen en fluiten.
Alles ademt vrede en harmonie.

De afdaling verloopt snel en vlot en mondt uit in een prachtig bos waar de bomen sterk en stevig in de vruchtbare aarde wortelen. De geur in het bos is een rijke mengeling van houtschilfers, humus en jonge, scheutige boomtwijgjes.

Na een lange maar aangename rit voelt Selienna dat de omgeving geleidelijk anders, veel luchtiger wordt. Het groen wordt groener, de bomen nog mooier, het licht zachter en in de verte klinkt wondermooi vogelgezang.
Het pad wordt breder, de begroeiing minder en plots staat ze voor een zonovergoten bloemenweide die omsloten wordt door eeuwenoude, majestueuze bomen. Er is een heldere, hemelsblauwe rivier die kronkelend doorheen de weide slingert.
Ongeveer in het midden tussen bloemen en lage struiken staat een forse notelaar omringd door twaalf andere, allemaal verschillende bomen.
Een natuurlijke tovercirkel.

Selienna stapt af van het trouwe paard en loopt langzaam de weide op. De geuren zijn overweldigend zoet en bedwelmend. Het kleurenpalet is overdadig rijk en gevarieerd. Prachtige melodieën uit vele vogelbekjes waaien haar tegemoet. De stralen van de zon vallen warm op haar huid.
Deze plek voelt als thuiskomen.

Onder de notenboom zit een jongeman die aandachtig maar rustig toekijkt en geen moment zijn ogen van haar afwendt.

Selienna betreedt de bomencirkel en voelt dadelijk de magische kracht door haar lichaam zinderen.
Op twee stappen van de man zet ze zich neer in het malse gras.
Hun ogen ontmoeten elkaar en er is ogenblikkelijk een wederzijdse intense en diepe herkenning die voelt alsof een sterrelicht ontwaakt in hun ziel en hun lichamen met zalige vreugde en geluk verwarmt.
Tijd lijkt onbestaand en er is enkel het genot van dit heilig en eeuwig moment. Samen in de schaduw van de grote boom, zwijgend in helende stilte, genietend in eenvoud, met ogen die glimlachen en hun ziel die wakker wordt.

Met de sierlijkheid van een vlinder die landt op een uitverkoren bloem legt Selienna haar handen zacht in zijn handpalmen en vraagt terloops en overbodig alsof ze het antwoord al kent:
‘Ben jij wie ik zoek ?’
De jongeman sluit de ogen, glimlacht en antwoord vragend:
‘Ben jij wie ik ben ?’
‘Ik ben Selienna en op zoek naar een echte en ware prins.’
De jongeman staat langzaam op en helpt Selienna zachtjes omhoog.
Heel dicht staan ze nu bij elkaar. Selienna ruikt de geur van zijn lichaam, een mannelijke en toch vertrouwde en aangename geur, als na een regenstorm in een naaldbomenbos.
‘Wil je dansen ?’ vraagt de man en neemt haar teder vast terwijl hij vol gratie en speelsheid beweegt over het bloementapijt.
Ze dansen en draaien tussen en rond en langs de bomencirkel in steeds grotere spiralen. De vogels fluiten een onweerstaanbaar prachtig lied.
En het lijkt of ze zweven en hun voeten nooit de grond raken.
En het voelt alsof ze samensmelten en nooit gescheiden waren.
En het is of ze één wezen worden en elkaar nooit meer zullen verliezen.

‘Wat is je naam ?’ vraagt Selienna terwijl haar hoofd op zijn schouder rust.
‘Arwen’ fluistert hij zachtjes en hij voelt hoe een siddering van herkenning door haar hele lichaam trekt.
De dans vertraagt en hun lichamen raken diep met elkaar verweven.
Iedere spier, iedere vezel, ieder plekje wordt intens gevoeld en teder gekoesterd. Zonder de omhelzing los te maken, zijgen ze neer op het bloementapijt onderwijl elkaar diep in de ogen kijkend.

Arwen streelt teder haar wang en spreekt de enige woorden die er ooit toe doen.
‘Ik hou van je’
Selienna voelt dadelijk de eenheid in haar hart en fluistert bijna onhoorbaar:
‘Ik heb je lief, grenzeloos, sinds het begin der tijden tot het nimmer verschijnende einde’

Hun gezichten zijn nu zo dicht bij elkaar dat de wimpers kriebelen als ze de ogen knipperen. Hun lippen zoeken elkaar en warmen zich in een betoverende kus.

Selienna sluit de ogen en voelt zich een helder stralend licht worden.
Wit, warm, wonderlijk levend licht.
Wijs, weelderig, weldadig lachend licht.
Ze opent de ogen en alles is zuiver licht geworden.
Arwen, het bos, de bomen en bloemen, de lucht en aarde, de vogels, zijzelf,…alles is hetzelfde licht!
Haar eigen licht voelt tegelijkertijd uniek en toch één met al het andere licht. Zoals de lucht in een bos anders voelt en ruikt dan de lucht boven zee, maar toch dezelfde lucht is.

Alles is licht. Licht vibrerend in licht. Dansend licht, scheppend licht, verhelderend licht.
Selienna en Arwen schateren het uit.
Wat een zalig gevoel, zo mooi, zo echt, zo fijn,...Alsof alle zwaarte van je afvalt, alle duisternis zich oplost, alle belemmeringen vernietigd worden, alle vragen hun antwoorden krijgen, alle angsten verdwijnen,…

‘Wat is dit licht toch ? Ik hou er zoveel van.’ vraagt Selienna.
‘Kom, ik wil je iets tonen’ zegt Arwen.

Ze lopen hand in hand terug naar de bomencirkel en vleien zich neer op een donzig zacht plekje naast de notenboom. Zonder schroom trekt Arwen zijn kleren uit en Selienna volgt zijn voorbeeld.
Samen dicht bij elkaar, huid tegen huid. Zachte, warme lichamen in een koesterende omhelzing.
Langzaam en respectvol elkaar verkennen, strelen, aanraken, ruiken, proeven, kussen, beminnen,…
Opnieuw versmelten ze in eenheid, genietend en delend.
Hun ademhaling ademt synchroon, hun hartslag slaat gelijk, hun ogen kijken elkaar diep en liefdevol aan.
Een heilige vereniging van man en vrouw, van ziel en ziel, van aarde en hemel.
Ik in jou, jij in mij, God in ons.
Een magisch huwelijk.

’Wat ben je mooi’ zucht Arwen.
‘Dit licht is liefde, is het niet ?’ weet Selienna plots met zekerheid.
‘Liefde is een woord, een concept, je kunt er allerlei mooie zinnen rond vertellen, maar wat is liefde eigenlijk werkelijk ?’ plaagt Arwen.

‘Ik ben liefde en jij ook, en alle mensen ook’ herinnert Selienna zich plots, ‘als alle ballast en angst wegvalt, als alles wat niet echt is verdwijnt, als alle illusies oplossen, als de droom eindelijk eindigt, dan blijft er enkel waarheid over, dat wat werkelijk is en dat is: liefde.
Wij zijn die liefde. Gevangen in een lichaam, op reis door het universum om creatief onszelf tot expressie te brengen. Om onszelf te herscheppen in een betere mens, een liefdevoller wezen, vollediger. Liefde wil zichzelf ervaren, wil bovenal éénheid ervaren. Liefde is het verlangen één te zijn, met de ander en met God.
En echte liefde is vooral vrij. Pure ongebonden vrijheid.’

Enthousiast vertelt ze verder:
‘Liefde vraagt niks, maar geeft zonder onderscheid.
Liefde verlangt niks, maar deelt met iedereen.
Liefde verwacht niks, maar schenkt onvoorwaardelijk.
Liefde beperkt niet, maar steunt de keuzes die je maakt.
Liefde neemt niks, maar ontvangt wat vrijwillig wordt gegeven.
Liefde dringt zich niet op, maar laat altijd vrij.
Liefde kwetst niet, maar heelt wat gebroken is.
Liefde begrenst niet, maar gaat altijd door in een steeds grotere vreugdedans’

‘Ja, zo voel ik het ook’ beaamt Arwen.

‘Maar als liefde vrijheid is, dan kan ik doen wat ik maar wil.
Dan mag ik echt doen wat ik wil om telkens meer mezelf te zijn, om dichter bij liefde te komen’
denkt Selienna luidop.
‘Je hoeft niks te doen, enkel te zijn wat je al bent’ meent Arwen.

‘Oh, ik ben zo gelukkig’ lacht Selienna ‘ik wou dat de hele wereld danst’

‘Wel, Selienna, misschien ben je daarom wel op Aarde.

Kom, laten we dansen tot de sterren uit de nacht vallen
en de maan haar zilveren licht in ons hart brandt.’

God sluit de ogen, glimlacht en besluit om Selienna in haar droom te bezoeken.

‘Dag koningin Selienna, Ik kom je vertellen dat Ik dankbaar ben om je vriend te zijn. Jullie mensen zijn zo inventief in jullie keuzes om liefde te ontdekken en liefde te worden. Ik krijg er maar niet genoeg van. Jullie brengen Mij en jezelf tot uitdrukking in steeds mooiere scheppingen. En zo groei Ik, en zo groeien jullie.'

Oneindig Leven Dansend en Spelend.
Oneindig Licht Stromend en Creërend.
Oneindige Ervaring van Eeuwig Bewustzijn.
Oneindige Liefde Spiralend in Vreugde.

‘Dag lieve God’ zegt Selienna ‘ik wil terug bij Jou, terug in de hemel, wanneer word ik toch terug wakker in Je hart ?'
‘Je bent altijd in Mijn hart, lieve schat. We hebben elkaar nooit verlaten.' Dus welkom thuis.
En lach zo veel als je wil …en speel zo mooi als je kunt….
en wees vrij, zo vrij als een vlinder en

Dans Mijn dans
Dans jouw dans
Kom, laat de wereld dansen
Er is niets anders te doen

© Glenn Callens

Rivendell Village